De Oprechte Haerlemsche Courant

Jan de Bray: Abrahem Casteleyn and his Wife Margarieta van Bancken, 1663 (Rijksmuseum, Amsterdam)

Op zoek naar achtergrondinformatie over het Thirsis Minnewit, hebben Jos en ik de Oprechte Haerlemsche Courant bekeken. De krant werd voor het eerst gedrukt in 1656 en heeft zich in de loop der jaren ontwikkeld van een weekblad tot een dagblad. Alle bewaarde exemplaren zijn in te zien op microfiche in de bibliotheek van Haarlem. Wij waren geïnteresseerd in de jaargangen 1708, 1711 en 1712. Dit zijn de jaren waarin de eerst bekende drukken van de verschillende delen van het Thirsis Minnewit zijn verschenen. 1708 is helaas niet bewaard gebleven. 1710-1711 bevatte niet de informatie die wij zochten.

Wel vonden we andere informatie die toch erg leuk is om te lezen (spelfouten voorbehouden, niet alles is evengoed leesbaar), zoals:

26 mei 1711:
Zedert den 23 Mey is te Haerlem vermist een Jongetje van omtrent 6 Jaer, genaemt Dirck van Aelst, aenhebbende een Hembt, gemerkt D., een Naey gestreept Onder-Broekje, een gebreyt Borstrokje, een Serge Hembtrokje en Broek, ’t eerste met Garen en ’t Broekje met Beene-Knoopjes, een Estamine Japon met een Lapje daer achter op, een Serge Schortekleet, en een witte Wolle Slaepmuts op, en ’t Hak wat afgeschoren: Die dit Kint tot Haerlem aen de Groenvrou op de Kleyne Houtbrug te recht brengt, sal eerlijck beloont werden.

4 juli 1711:
Dinsdag, den 7 July, sal t’Amsterdam in de Boekwinkel van wijlen P. Mortier verkocht worden alderhande Engelsse, Fransse, Italiaensse en Duytse Musijck volgens de Catalogen, daerom reets uytgegeven : De verkoping van den 8 onder de Boekverkoper sal niet voortgaan, also die uyt’er hant verkocht is : En de Republique de Lettre sal nevens de andere Sorteringen in ’t begin van Augusti onder de Boekverkopers verkocht werden; waer van den  precijsen Dag nader sal bekent gemaekt werden. De Catalogen zijn te bekomen t’Amst. by de Wed. Mortier, Hage v. Dole, Rotterd. Frits en Bohm, Leyden Haek, Utrecht v. Water, Brussel Sertevens, Leypzig Frits, Antwerpen Grangé. Londen Mortier, &c.

12 september 1711:
Alsoo op voorlede Woensdag, zijnde geweest den 9 deser Maent September, 1711, ’s avonts tusschen 9 en 10 uuren buyten de stad Haerlem door seker Persoon, genaemt Jaep van de Camet, zijnde kort van Persoon, Pockdalig en bleeck van Trony, Karstanjebruyn Hair, ophebbende een swarte Hoet en aenhebbende een Asgraeuwe Lakense Rock, op een Moortdadige wijse een Manslag is begaen aen den Persoon van Jacob Jansz. van Waert, soo beloven de Heeren van den Gerechte der voorsz. Stad aen de geene, die den Dader weet aen te wijsen, dat deselve in Hechtenisse sal komen te geraken, uyt deser Stadt Bentse een Somme van 100 Silvere Ducatons, en sal desselfs Naem, des begerende, werden gesecreteert.

Advertentie

Oude en nieuwe liedjes. Over de overlevering van populaire liederen in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw

© Jos Houtsma, op: www.neerlandistiek.nl 09.03
Gepubliceerd: augustus 2009

In 1883 sluit Gerrit Kalff zijn monumentale studie Het lied in de middeleeuwen af met een bespreking van wat hij noemt de ‘verdere lotgevallen der oude liederen’. Hij wil laten zien dat de laatmiddeleeuwse liederen zoals we die kennen uit het Antwerps Liedboek van 1544 en uit andere bronnen uit dezelfde periode ‘reeds gedurende de laatste helft der zestiende eeuw door andere liederen worden verdrongen, ofschoon zij nog in aller herinnering blijven leven; dat zij in de 17e eeuw meer en meer vergeten worden en in de 18e, op weinige uitzonderingen na, nog slechts bij het volk bekend zijn.’

Kalff heeft de taak die hij zich stelde scherpzinnig en met grote eruditie volbracht. Het beeld dat hij schetst, heeft school gemaakt, en is nog in de jaren zestig van de vorige eeuw in de populariserende literatuur terug te vinden. Toch is het niet meer echt aanvaardbaar. Waar Kalff in zijn studie sprak over ‘oude liederen’ of ‘volksliederen’, stonden hem uitingen van een geïdealiseerd volkskarakter voor ogen, met wortels die teruggaan tot ver voor de oudst bekende vastlegging. Tegenwoordig kijken we daar anders tegen aan. Wat wij zien is een corpus van liedteksten waarvan vertegenwoordigers bekend zijn vanaf ongeveer het eind van de vijftiende eeuw. Wat deze liederen gemeenschappelijk hebben, is dat ze anoniem zijn overgeleverd en dat het regelmatig voorkomt dat verschillende representaties van hetzelfde lied sterke onderlinge verschillen vertonen: het zijn populaire liederen, liedteksten die door gebruikers werden gezongen, thuis, op straat, op het werk en bij gezellig samenzijn. Op het moment dat het in ons gezichtsveld verschijnt, kenmerkt het grootste deel van dit materiaal zich door een stijl die ik zou willen aanduiden als ‘retoricaal’: de liederen zijn kennelijk afkomstig uit het milieu van de rederijkers; ze zijn niet-metrisch, maar zijn gedicht met veel aandacht voor de vorm, wat zich uit in ingewikkelde, soms overdadig rijmende strofevormen. Een ander – kleiner – deel zou ik willen aanduiden als ‘traditioneel’: de teksten kenmerken zich door eenvoudige strofenvormen, assonantierijmen, en een typisch balladeske verteltrant, met een externe verteller, veel scènes in de directe rede, tijdsprongen, en met gebruikmaking van stijlkenmerken als parallellisme en uitbreidende herhaling.

Van populaire liederen is aannemelijk dat ze onderhevig zijn aan mode. Liedteksten, melodieën kunnen nog zo aansprekend zijn, ze hebben een beperkte houdbaarheid, en het ligt in de lijn van de verwachting dat ze na langere of kortere tijd in vergetelheid raken en worden afgelost door nieuwe ‘hits’. Het populaire lied zal er in de vroege zestiende eeuw anders uitzien dan aan het eind van die eeuw, of in de zeventiende eeuw, de achttiende eeuw en later. Vanuit deze visie is een vraag die zich opdringt wat we eigenlijk te weten kunnen komen over de circulatie van populair liedmateriaal, vanaf het moment dat het in de late middeleeuwen voor ons zichtbaar wordt.

Ik wil in dit artikel proberen een bijdrage te leveren aan de beantwoording van die vraag door – via bestudering van het bronnenmateriaal, maar ook gretig gebruik makend van de rijkdom aan gegevens van de Nederlandse Liederenbank5 – achtereenvolgens aandacht te besteden aan een vijftal gedrukte verzamelingen van populaire liedjes die bewaard zijn gebleven uit het eind van de zestiende- en het begin van de zeventiende eeuw (paragraaf 2) en aan een aantal bijzondere verzamelingen van ‘oude’ liedjes uit de zeventiende- en achttiende eeuw (paragraaf 3). Ik bespreek de bundels, en ik kijk naar de verhouding van de in de bundels opgenomen liedjes ten opzichte van elkaar en ten opzichte van het oudere liedmateriaal. In de slotparagraaf probeer ik de conclusies te formuleren die uit de bestudering van het materiaal getrokken kunnen worden.

Hier kan je het hele artikel inclusief verwijzingen downloaden

Thirsis Minnewit. Op zoek naar de muziek van het populairste achttiende-eeuwse liedboekje.

© Marga Kuijpers

Naar aanleiding van mijn presentatie tijdens Congres Jonge Muziekwetenschap ben ik benaderd om een artikel te schrijven voor het tijdschrift Mens en Melodie. In dit artikel leg ik aan de hand van praktijkvoorbeelden uit hoe ik melodieën uit de achttiende eeuw heb kunnen achterhalen. Er zijn twee zoekmethoden die ik heb gehanteerd. Ten eerste de klassieke heuristiek: deze maakt gebruik van directe verwijzingen in tekst en wijsaanduiding. Ten tweede de strofische heuristiek: deze maakt gebruik van de kenmerken van het gedicht. De veronderstelling bij strofische heuristiek is dat wanneer strofeschema’s van gedichten overeenkomen, ook de muziek hetzelfde zou kunnen zijn. Bij dit onderzoek staat de Nederlandse Liederenbank (databank met gegevens van liederen) centraal.

Hier kan je het artikel downloaden

Thirsis Minnewit. Het onderzoek uitgelegd.

© Marga Kuijpers

In het kader van Congres Jonge Muziekwetenschap heb ik een presenatie gehouden over mijn scriptie-onderzoek. De nadruk ligt hierbij niet op de resultaten van het onderzoek, maar op het onderzoek zelf. Hoe is het mogelijk op grond van enkel tekst, te achterhalen op welke melodie deze gezongen is?

De Nederlandse liederenbank online

© Merlijn Schoonenboom in de Volkskrant
Gepubliceerd op 22 juni 2007 00:00, bijgewerkt op 15 januari 2009 19:08

‘Nederland was altijd een zingland’
Vanaf de Middeleeuwen tot nu: een schat aan Nederlandse liederen is vanaf vandaag online op te zoeken.

We typen in: ‘meisje’ en ‘loos’. Een lange reeks liedtitels verschijnt op het computerscherm, waaronder nagenoeg alle bekende versies van de oud-Nederlandse meezinger Daar was laatst een meisje loos. Nog even verder zoeken? Of toch maar doorklikken: een icoontje van een microfoon toont dat er een opname van te horen is.

Een visser is het, uit Vlissingen in 1953, die hier nu enthousiast zingend uit de boxen klinkt. Over het meisje loos dat wilde varen. Iets zwieriger dan het lied nu nog bekend is, een beetje krakerig ook. Hij zingt voor een wetenschapper, die met een bandrecorder langskwam om het vast te leggen. Op zoek naar, zoals dat destijds de gewoonte was, de ‘volksziel’.

Lees verder, er is nog meer…